Ken je bril

Er is een moment dat de meeste docenten herkennen. Je staat voor de klas, iets gebeurt een leerling die tegenspreekt, een les die vastloopt, een collega die kritiek geeft en je reageert. Niet na lang nadenken, maar vanuit iets dat er al was voordat je het klaslokaal binnenliep. Pas achteraf, soms pas na jaren, zie je dat die reactie een patroon was. Een manier van doen die je vaker toepast, zonder dat je hem bewust koos.

De Leuvense onderwijskundige Geert Kelchtermans heeft daar een woord en een model voor: het persoonlijk interpretatiekader. Zijn these is simpel en tegelijk ingrijpend. Wie een docent wil begrijpen of zichzelf als docent wil begrijpen kan niet volstaan met kijken naar wat die docent doet. Je moet kijken naar hoe die docent zichzelf en zijn werk interpreteert. En die interpretatie zit meestal niet in wat iemand kan opnoemen als hij ernaar gevraagd wordt, maar in patronen die zo vanzelfsprekend zijn geworden dat ze onzichtbaar zijn.

Wat het model precies inhoudt

Kelchtermans (2009) onderscheidt binnen het persoonlijk interpretatiekader twee met elkaar verweven domeinen. Het eerste is het professioneel zelfverstaan: hoe een docent zichzelf ziet als leraar. Dat zelfverstaan bestaat uit vijf onderdelen: het zelfbeeld (hoe beschrijf ik mezelf als docent?), een subjectieve evaluatie van het eigen functioneren, de belangrijkste factoren die iemand motiveren voor het beroep, de eigen taakopvatting (wat vind ik dat ik moet doen, en waarom?) en de verwachtingen over het eigen toekomstperspectief. Het tweede domein is de subjectieve onderwijstheorie: het persoonlijke geheel van kennis en opvattingen over hoe je zou moeten lesgeven, en waarom juist zo.

Beide domeinen ontstaan niet in de opleiding of uit de vakliteratuur, maar in een loopbaan en vaak al daarvoor, in de eigen schooltijd. Kelchtermans bouwde zijn model op basis van loopbaanverhalen van docenten, en zijn kernpunt daarbij is dat niet de feiten uit zo’n verhaal het belangrijkste zijn, maar hoe iemand die feiten interpreteert en betekenis geeft. Precies daarom noemt hij het verhalend vertellen zo belangrijk: in de manier waarop je over jezelf als docent vertelt, zit zowel een beschrijving als een impliciete waardering van wat je hebt meegemaakt.

Waarom je je eigen bril niet ziet

Kelchtermans gebruikt een beeld dat treffend is: iemand die een bril draagt, is zich daar meestal niet van bewust totdat een ander opmerkt dat het montuur gedateerd is. Pas dan wordt de bril zichtbaar, en pas dan kan er een kritisch onderzoek van de glazen op gang komen. Zo werkt het volgens hem ook met het interpretatiekader van een docent: het stuurt voortdurend hoe je waarneemt, beoordeelt en handelt, precies omdat het onzichtbaar blijft zolang niemand of niets je erop wijst.

Dat is meteen waarom zelfonderzoek méér is dan een leuke reflectieoefening. Zolang een patroon onbewust blijft, stuurt het je handelen zonder dat je er invloed op hebt. Herkenbare voorbeelden zijn de neiging om vooral te handelen vanuit de wens om het door anderen goed gevonden te worden, of de drang om het altijd zo goed mogelijk te willen doen patronen die op zichzelf niet negatief zijn, en die docenten vaak juist heel gedreven en zorgvuldig maken, maar die ook kunnen doorslaan: in overwerken, in moeite met grenzen stellen, in te sterk reageren op kritiek van leerlingen, ouders of leidinggevenden. Zodra je zo’n patroon herkent, verandert er iets fundamenteels. Je kunt het dan namelijk gaan gebruiken waar het je sterkt maakt, en afremmen waar het je in de weg zit. Dat is geen abstracte gedachte van mij, maar sluit direct aan bij wat Kelchtermans zelf concludeert: professioneel leraarschap vraagt voortdurend brede reflectie om het persoonlijk interpretatiekader te bevragen en verder te ontwikkelen. Pas als reflectie niet alleen breed maar ook diep gaat als ze het interpretatiekader zelf raakt groeit ze uit tot wat hij kritische zelfreflectie noemt, waarin je de ruimte krijgt om je eigen opvattingen te herzien, te verfijnen of uit te breiden.

Waarom dit geen solotraject is

Een onderdeel van Kelchtermans’ werk dat volgens mij te weinig aandacht krijgt, is dat hij deze reflectie niet als iets ziet dat je in je eentje doet. Hij benadrukt dat kritische zelfreflectie sterker tot stand komt in dialoog met een ander, die je door zijn vragen uitnodigt om verder te kijken dan je eigen verhaal aanvankelijk toelaat. Dat is een interessant tegenwicht tegen het beeld van de reflecterende professional als iemand die alleen, aan zijn bureau, zijn eigen handelen evalueert. Het verklaart ook waarom intervisie, kritische vrienden of gewoon een goed gesprek met een collega zo veel waarde kunnen hebben: een ander stelt de vraag die jij jezelf niet stelt, juist omdat jouw bril voor jou onzichtbaar is en voor de ander niet.

Daar zit ook direct een spanning die het waard is om te benoemen. Kelchtermans plaatst zijn model uitdrukkelijk tegenover benaderingen die vooral zoeken naar “wat werkt” generieke, technische aanpakken die losstaan van wie de docent is die ze uitvoert. Zijn punt is dat lesgeven nooit louter technisch is: het is doordrenkt van morele keuzes en emotionele betrokkenheid, en er is geen onbetwistbare wetenschappelijke basis die je handelen volledig rechtvaardigt. Dat maakt het beroep kwetsbaar, in de precieze betekenis die Kelchtermans daaraan geeft: je hebt nooit volledige grip op de voorwaarden van je werk, en je kunt nooit zeker weten dat je handelen het gewenste leereffect oplevert. Reflectie die alleen technisch-probleemoplossend is, doet aan die kwetsbaarheid geen recht. Reflectie die ook het persoonlijk interpretatiekader raakt, wel.

Wat dit betekent voor de praktijk

Voor mij betekent dit concreet dat professionele ontwikkeling niet begint bij een nieuwe methodiek of didactische aanpak, maar bij de vraag wie je bent als docent en waar dat vandaan komt. Dat is een aanname die ik hier expliciet maak: ik denk dat zelfkennis een voorwaarde is voor bewuste pedagogische keuzes, niet alleen een prettige bijkomstigheid. Kelchtermans’ onderzoek onderbouwt die aanname niet één-op-één zijn werk beschrijft en verklaart het interpretatiekader, het bewijst niet dat zelfonderzoek per se tot beter onderwijs leidt maar het biedt wel een stevig theoretisch fundament om die stap te zetten.

Wie zijn eigen patronen kent, kan er bewust voor kiezen ze in te zetten. De docent die van nature streng en gestructureerd is, kan dat gericht gebruiken in een klas die houvast nodig heeft. Maar wie zijn patronen kent, kan ze ook doorbreken op het moment dat ze niet passen: de neiging om altijd de controle te willen houden, juist even loslaten; de gewoonte om conflicten te vermijden, juist een keer aangaan. Zonder dat bewustzijn blijft een patroon een automatisme. Mét dat bewustzijn wordt het een instrument.

Een paar vragen om zelf mee te beginnen, eventueel samen met een collega:

Welk verhaal vertel je over jezelf als docent, en welke gebeurtenissen uit je eigen (school)loopbaan zitten daarin verweven? Welke patronen zie je terugkomen in hoe je reageert op leerlingen, op kritiek, op tegenslag? En: is er een moment waarop je zo’n patroon bewust hebt ingezet, en een moment waarop je het juist bewust hebt doorbroken?

Dat zijn geen vragen met een eenduidig antwoord. Maar het zijn, als je Kelchtermans mag geloven, wel de vragen die er het meest toe doen.


Bronnen

  • Kelchtermans, G. (2009). Who I am in how I teach is the message: self-understanding, vulnerability and reflection.Teachers and Teaching: theory and practice, 15(2), 257-272.
  • Van Blijswijk, R. (2017). Geert Kelchtermans: ‘Wie de leraar wil begrijpen luistert naar zijn verhaal’, in: Stevens, L. (red.), NIVOZ-reeks deel 1, pp. 13-23, Garant. Beschikbaar via NIVOZ.
  • Peralta Alvarez, G. (2021). Professioneel zelfbegrip van docenten, samenvatting op Onderwijskennis.nl.